Bijnieruitputting: Een controversiële diagnose

In 1969 vertelde John Tinterra, een dokter gespecialiseerd in  de verminderde bijnierfunctie, dat hij schatte dat ongeveer 16% van de bevolking aan ernstige Bijnieruitputting leed, maar dat dit wel kon oplopen tot 66% als je ook de lichtere gevallen hierbij zou meenemen. Dit was in 1969, dus voor de extreme stress en de prestatiecultuur van de 21e eeuw en de economische recessie. Michael Lam, een Amerikaanse dokter gespecialiseerd in Bijnieruitputting schat dat 80%  van de bevolking op enig punt in hun leven te maken krijgt met Bijnieruitputting.

Je zal aan de hand van de schattingen hierboven er misschien wel van opkijken dat Bijnieruitputting steeds meer voorkomt, maar dat je er nooit wat over hoort en dat het zelden wordt vastgesteld.  Hier zijn drie verschillende redenen voor:

Oorzaak #1: Laboratorium testen geven niet altijd een heldere uitslag

Een groot probleem om een juiste diagnose te stellen is het feit dat laboratorium testen vaak geen uitsluitsel geven. Hoe zit dit dan? Nou dat ligt aan de extreem ruime grenzen die de laboratoria hanteren als referentiewaardes. In de meeste gevallen kijken ze naar een cross sectie van de populatie en zetten ze de referentiewaardes op twee standaarddeviaties van het gemiddelde. In de praktijk leidt dit tot extreem ruime grenswaardes. Ook verschillen de referentiewaarden tussen de verschillende laboratoria vaak flink.

Om je dit te verduidelijken kunnen we eens nader naar de hormoonwaardes van cortisol kijken en dan zie je waarom je een laboratorium test nooit alleen moet beoordelen op de uitslag.

De beste manier om cortisol te meten is om het gedurende een aantal punten op een dag te meten, aangezien je cortisol waardes fluctueren over een periode van 24 uur.  De referentiewaardes voor cortisol (in bloed) van een aantal medische instellingen in Nederland zijn als volgt:

VU Medisch Centrum
250 – 600 nmol/L  8-9 uur
150 – 500 nmol/L 16-17 uur

Atrium Medisch Centrum
140 – 640 nmol/L  8-9 uur
80   – 440 nmol/L 16-17 uur

Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde
150 – 700 nmol/L  ’s ochtends
100 – 400 nmol/L  ’s middags

Hier kun je al meteen het probleem zien. Een middag waarde van 80 bij het AMC ligt binnen de grenzen net als een middagwaarde van 500 bij het VU ondanks dat dit meer dan 6 keer hoger ligt. Daarom kan (een natuurgeneeskundig /orthomoleculair) arts of therapeut het beste jouw optimale waardes bepalen in plaats van zich alleen blind staren op de referentiewaardes van een laboratorium.

Bovendien wordt dokters vaak verteld niet te snel medicijnen voor te schrijven aan patiënten, dus waarom zouden ze dan een behandeling of cortisol voorschrijven als de cortisol waardes van de patiënten binnen de “gezonde” (en ruime) grenzen liggen?

Oorzaak #2: Dokters worden geremd om Bijnieruitputting vast te stellen

De tweede reden is simpelweg dat dokters worden ontmoedigd om Bijnieruitputting vast te stellen. Ze worden ontmoedigd door verzekeringsmaatschappijen en door de alsmaar toenemende druk van de commercie (zeker in Amerika).

Allereerst is het van belang om te weten dat elke ziekte die wordt erkend door verzekeringsmaatschappijen een codering hebben. Deze coderingen staan bekend als de International Classifications of Disease (ICD) codes en ze worden beheerd door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). De laatste versie van deze coderingen is ICD-10 (in Amerika en in Nederland ICD10-NL).

Het probleem is dat de Ziekte van Addison (primaire bijnierschorsinsufficiëntie) de code 27.1 heeft toegekend gekregen, maar er geen codering is voor Bijnieruitputting. In theorie kunnen dokters de codering 27.4, “Overige niet gespecificeerde bijnierschorsinsufficiëntie”, gebruiken, maar in de praktijk blijkt dit moeilijk te verantwoorden als de laboratorium testen terugkomen en de uitslag netjes binnen de “gezonde” (en ruime) grenswaardes zitten.

Dit klinkt misschien als een administratief of bureaucratisch probleempje, maar de gevolgen kunnen ver reiken. Zo kunnen in Amerika zonder een ICD-1o codering dokters de betaling van de verzekeringsmaatschappij van de patiënt niet claimen. In andere woorden, als ze Bijnieruitputting vaststellen krijgen ze niet betaald om je te behandelen. Daarnaast wordt de ICD-10 ook gebruikt voor bijvoorbeeld het monitoren van de incidentie en prevalentie van ziekten en andere gezondheidsproblemen. Dat Bijnieruitputting niet erkend wordt, maakt het dus ook moeilijk om in te schatten hoeveel mensen deze aandoening hebben.

Een andere reden voor dokters om de diagnose Bijnieruitputting te vermijden kan zijn dat deze aandoening lastig is om te behandelen. Er bestaat niet een wonderpil voor, maar een goede behandeling voor Bijnieruitputting omvat aanpassingen aan het dieet, levensstijl, (kruiden)supplementen en hormoon vervangende therapie. Het is vaak makkelijker voor een dokter om de symptomen te behandelen dan de onderliggende oorzaak aan te pakken. Dus je krijgt bijvoorbeeld antidepressiva of ADHD medicijnen om je stemming of energie te verbeteren, terwijl de echte oorzaak van je symptomen dan onbehandeld blijft.

Oorzaak #3: Ontkenning van de gevestigde medische orde

Hoewel de Ziekte van Addison een goed geaccepteerde diagnose in de medische wereld is, wordt de mildere variant ervan, Bijnieruitputting, helaas vaak niet erkend. Een voorbeeldje hiervan komt van de Hormone Foundation,  onderdeel van de Endocrine Society, welke in 2010 schreef:

“Bijnieruitputting is niet echt een medische ziekte. Er is geen wetenschappelijk bewijs die de theorie dat, landurige geestelijke, emotionele of fysieke stress de bijnieren uitput en veel algemene symptomen veroorzaakt” – Hormone Foundation

Het probleem met deze bewering zit hem in het feit dat dezelfde stichting de Ziekte van Addison wel erkend als diagnose. Waarom zou een mildere variant hiervan dan niet mogelijk zijn? Deze neiging om alles in zwart en wit te zien is dan ook een grote reden waarom Bijnieruitputting vaak niet wordt gediagnosticeerd en de diagnose helaas nog steeds controversieel is.